16/05/2015 Jan Fokke Oosterhof

Pijnbeleving; 350 km mountainbiken met zadelpijn

Deel I Wat eraan vooraf ging. Fietsvakanties

De langste afstand die ik ooit heb gefietst is waarschijnlijk een kilometer of zestig. Zo nu en dan nam ik deel aan triatlons of run bike runs en dat was het eigenlijk wel. Veelal werd een en ander gekenmerkt door zadelpijn en/ of hongerklop. Ik kan 78 kilometer rennen op enkele energie-gelletjes, op de fiets loert altijd die ene, onvermijdelijke hongerklop. Klam zweet, rillingen, wobbelbeentjes en een tempo dat daalt tot vijf kilometer per uur en uiteindelijk zelfs omvallen. Nu is het anders.

Een vaag plan, ofwel een idee

Peter en ik gaan op mini-expeditie. Randvoorwaarden: Peter heeft drie kinderen en weinig tijd. Het idee (merk op: er staat idee, niet plan): we fietsen in een dag van mijn huis in Nijmegen naar het huis van mijn vader in het Duitse Sauerland (=345 km). Het idee wordt al snel omgesmeed in een fietstocht in omgekeerde richting als blijkt dat mijn vader een fietsendrager heeft aangeschaft en onze fietsen mee naar Duitsland kan nemen. Je kunt de bergen maar in je voordeel hebben de eerste kilometers, dan in je nadeel in de laatste kilometers.

Pijn aan je reet

345 kilometer. Waar fiets je dan op? De route voert door het Ruhrgebiet, de Ruhrrradweg die deels onverhard is. Een racefiets dus maar niet. Bovendien kun je dan je nek wel weggooien na ettelijke uren. Een MTB in eerste instantie ook niet gezien de rolweerstand, maar dat fietst wel een stuk comfortabeler. We kiezen uiteindelijk voor twee MTB’s met semi-slicks. We nemen zo weinig mogelijk mee en het is onze intentie om 20 uur te fietsen met een gemiddelde van net onder de 20 kilometer per uur. Een simpel en recht-toe-recht-aan-plan. Geen speld tussen te krijgen, alhoewel… Eenieder die wij spreken reageert spottend: ‘dat haal je nooit, dan krijg je zo’n gruwelijke pijn aan je reet dat je niet meer weet hoe je het hebt!’ Wij zullen het ongelijk aantonen. Voor de zekerheid nemen we twee fietsbroeken per persoon mee en nog een reservebroek. Tevens hebben we een gewatteerde hoes voor om een van de zadels. Peter komt zelfs aan met twee kussentjes maar die laten we uiteindelijk thuis.

Grensverleggend fietsen

Meteen beginnen we te filosoferen: Stel nou dat we het halen, wat dan? Parijs, waar mijn zwager woont, via het parcours van de Roparun? Of toch maar non stop naar Berlijn? Deze expeditietjes verruimen je blik en maken Europa klein en doen je weer romantisch dromen, zoals toen je nog een klein jongetje was. Of zoals Jim Burland stelt in zijn boek ‘Cycling is the Church: Many attend, but few understand: trap vanaf je woonplaats een eind de wereld in. En weer terug. Als je na vallen en opstaan een soepele Coupe de Pédale hebt laten inslijten, kun je de wereld in steeds groter worden de concentrische cirkels besnuffelen. Zo is het mij ooit vergaan en zo vergaat het me nog steeds…

Het karakterdier

Ik voer dit idee niet voor niets uitgerekend met Peter uit. Peter is dun, taai en een vechter in hart en nieren, een werkpaard. Ik ken hem van de looptrainingen die ik vroeger deed bij Leiden Atletiek onder het juk van onze gezamenlijke looptrainer Mustapha. Een strenge, maar betrokken trainer die het maximale uit ons haalde. Zijn commentaar richting Peter die zijn eerste tien kilometer op de weg ging lopen, was eenvoudig doch doeltreffend: ‘volg Fred (een ervaren een snelle loper) en laat hem niet meer los’. En zo geschiedde. Peter liep zijn eerste tien kilometer, liet niet meer los en kwam na 36 minuten meer dood dan levend over de meet. Laatst nog hield ik weer eens een wedstrijdje met hem op een ander vlak. Wie kan het langst onder water blijven? Peter won met glans en ik moest maar liefst drie keer bijhappen. Een karakterdier dus en de enige die gek genoeg is voor dit soort uitstapjes. Bovendien weet hij alles van politiek, cultuur, historie en volkeren. Wie anders dan Peter kan me voorzien van toeristische informatie als we door het Ruhrgebiet karren? Een fietsmaat en kletsmaat dus. Een goede vriend ook.

Strijdend ten onder

Onze uitrusting bestaat aldus uit een dubbele fietsbroek, klootvet ter smering van bewegende onderdelen, een windjack en een muts. We nemen tientallen reepjes mee die we met afplaktape aan stuur en frame bevestigen. De route heb ik uitgeschreven op een A4-tje dat we in cellofaan, rondom het stuur plakken, zodat hij mee kan draaien met onze voortgang. Voor een vaag idee, hebben we toch aardig nagedacht over de operationele uitvoering. Peter heeft een stuurtasje; ik een stuurtas en bescheiden rugzakje voor de kleding die we eventueel uittrekken. Het sluitstuk van onze expeditie-uitrusting: onze gesponsorde T-shirts van Looptijden.nl. Ik heb voor ons beiden een mooi, felgekleurd shirt geregeld met naam en motto. Voor mij is het motto Bestaansverwondering, voor Peter is het ‘Ik ga altijd strijdend ten onder!’ Hij is vast van plan om ditmaal het tegendeel te bewijzen: Wél strijden, maar niet ten onder gaan.

De route

Onze route bestaat eigenlijk uit drie stukken; Sauerland, Ruhrgebiet (Unna – Ruhrort), dan steken we de Rijn over en volgt de finishing straight via Goch en Kranenburg, een vlak, groen stuk langs de uiterwaarden van de Rijn. Het is naar het zich laat aanzien een zeer groene  route, ondanks het doorkruisen van het industriële hart van Duitsland en we volgen de hele route de rivier, beginnend met de Ruhr, dan de Rijn en ten slotte de Waal. De route wordt in het boekje prachtig omschreven: ‘es ist ein angenehmes – zu beginn zwar anspruchsvolles, aber dan sehr erholsames –Vergnugen an der Ruhr entlang zu radeln, vom Sauerland an den Rhein. Sie werden es auf jeden Fall geniessen!’ De Ruhr functioneert als een oase in het Ruhrgebiet waar mensen kunnen ontspannen en men probeert de oevers groen te houden met parken en strandjes. De afstand van de bron in Winterberg, tot de monding van de Rijn is 250 kilometer. En dan is het nog maar een klein stukje naar Nijmegen…

 

Deel II De expeditie

Waarom 3 uur starten?

4 maart 2012 – 2.40 uur. De wekker gaat. Om 22 uur verlieten we de gezellige Kneipe om de hoek, dus het is even knipperen als we opstaan. Dit is de dag. Onze mini-expeditie waar we al maandenlang tijdens eindeloze brainstormsessies en diepzinnige gesprekken over dromen. We gaan 345 kilometer stoempen. Ik spring snel onder de douche en als ik eruit kom zie ik Peter al driftig vla eten. We hebben een literbak met straciatellavla gehaald aangezien dit gewoon de lekkerste vla ter wereld is en gezien onze aversie tegen vast voedsel op dit moment van de dag. Waarom om drie uur starten? Als we doorkarren hebben we voor de ochtendspits de smalle weggetjes in het Sauerland gehad, waar vrachtwagens te dicht langs je kwetsbare lijf en leden razen. De tweede reden is een hele banale: als je 20 uur stevig doorpeddelt, ben je net voor donker thuis.

Vreemde voeding

Als ik de tweede helft van de vla verorber, smeert Peter zijn bammetjes met kaas voor later in de ochtend. Voor een extreemsporter houdt hij er een vreemd eetpatroon op na. Hij presteert op bolletjes kaas en tomatensoep en pareert met een verhaal dat met name kaas een combi van eiwitten en vetten bevat die het gezamenlijk heel goed doet in een menselijk lichaam. Vet is dan dus geen vet meer, maar wordt in combi met de eiwitten effectiever ingezet. Ik heb van mijn voedingstherapeut altijd geleerd: de jongste kaas is vetter dan de vetste worst en de drie C’s zijn niet aan extreemsporters besteed: Chips, Coke (cola) en Cheese. Ik houd het bij snickers, gelletjes en stukjes ontbijtkoek vandaag. Ik probeer heel constant te eten en glucosepieken – en dalen – te vermijden. Eten wordt vandaag in ieder geval de bepalende factor, want met een hongerklop loopt dit avontuur spaak, om in fietstermen te blijven.

Regen, duisternis en koude

We hijsen ons in onze tenues. Als Peter naar buiten loopt met zijn ros, ruim ik de laatste puinhopen op in het appartement. Als ik het licht uitklik, merk ik dat het me wel heel veel moeite kost om me met de fiets naar buiten te wurmen. Het is (te) donker, een voorbode. Dan sta ook ik buiten. In de regen. Regen die nog uren van zich zou laten voelen. We trekken de neus op en vloeken binnensmonds. Dit hadden we niet afgesproken, het zou een idyllische zomerdag worden. Peter heeft het postuur van een Harlekijn en regen en koude zijn aan hem niet besteed. Snel wurmen we onze knipperlichtjes met kleine knopjes aan, en gaan op pad. Een korte highfive en we verdwijnen in de duisternis.

De eerste meters; een natte bilnaad

En donker is het. Aardedonker. Waarschijnlijk is er vrijwel geen maanschijnsel en daaronder bevindt zich bovendien een dikke sluier van laaghangende regenwolken. Gezien de hoogte hier in Usseln (636 meter) rijden we in de wolken. We zien echt geen hand voor ogen en de regen striemt in het gezicht. Het is van die hele fijne druppelregen die overal doorheen priemt en binnen enkele tellen zijn we doorweekt tot op de bilnaad. Na een kort klimmetje door het dorp bereiken we de hoofdweg. Ik rijd voorop, want dit is voor mij bekend terrein. Links van de hoofdweg is een gloednieuwe strook fietspad neergelegd gezien het toenemend toerisme dat samenhangt met de Weltcupschanze van Stryck. Dit is de hoogste skispringschans van Europa. Ik steek links en ik steek naast. Met een klap kom ik in het gras tot stilstand met Peter in mijn nek. Dit ter illustratie van de duisternis.

Nachtblind

In de afdaling gaat Peter voorop, want hij heeft een beter flitslampje voorop. Het nare is dat zijn flitslampje hem nachtblind maakt en hij dus ook echt enkel en alleen op dat lampje moet en kan rijden. Al snel neem ik het dan ook weer over en laat mijn kennis van de regio spreken als ik met huiveringwekkende snelheid (>40 in duisternis) Willingen in dender. Hier volgt een pittig klimmetje over de hoofdweg, wat goed is omdat onze lichamen dan echt uit de slaapstand komen en lekker warmdraaien. Na Willingen volgt een lange, zeer brede weg. Ik rijd rechts van de streep in de berm met Peter in mijn zog. We ploeteren door een waas van druppels.

Fietsen tegen een verlicht aureool

Zo nu en dan komt een taxibusje met dronken stappers achterop. Dit is een bijzondere ervaring. Eerst is het doodstil en aardedonker, dan verschijnt een verlicht aureool voor onze neuzen tegen het donkere woud, zoals je dat soms ziet op een bergtop tijdens het klimmen. Het geluid zwelt langzaam aan, waarbij we in een verlichte cocon rijden, een buitenaardse ervaring. Vervolgens vliegt het voertuig voorbij en rijden we de eerste meters met vlekken voor onze ogen voordat we weer aan de nachtelijke duisternis gewend zijn en de staafjes en kegeltjes weer de juiste proporties hebben aangenomen.

Klimmen met een gepelde garnaal

We slaan linksaf, de verlaten bergpas bij Olsberg op. Getwee klimmen we zij aan zij en ik vraag me oprecht af waar ik in hemelsnaam aan begonnen ben. Aardedonker, 3 uur ’s nachts, fijnmazige regen, 330 kilometer voor de boeg, oude barrels en een Peter met het vetpercentage van gepelde garnaal. Dat is ook de reden dat hij mijn gepolsterde zadelhoes heeft gekregen. Ongenuanceerd: Als je geen zitvlees hebt, moet je het creëren. Hier rijden we en nu kunnen we nog terug. Twee uurtjes later starten, of zelfs een dag later starten. Allemaal gedachtespinsels in de donkere nacht natuurlijk; we gaan gewoon door.

Doofheid en tintelingen

Na het zadel volgt een lekkere lange afdaling. Ik strek de rug en probeer zo efficiënt mogelijk te rijden qua nek, rug, armen, benen en energie. Straks zullen spierkrampen, dove nek, tintelende handen en voeten ongetwijfeld aan de orde van de dag zijn. Peter is geen mountainbiker en heeft door zijn lampje ook nog eens korter zicht. Hij heeft moeite mijn wiel vast te houden als ik met 50+ km/ uur tussen de verdwaalde zwerfkeien door duik, die hier links en rechts langs de weg in het landschap liggen. Na Bruchhausen klaart het wat op, lees: we komen onder de wolken. De exercitie wordt een stuk aangenamer al vragen we ons hardop af of we vandaag ooit weer droge voeten zullen krijgen.

Een lollige exercitie

Ik probeer een mooi steady tempo door te voeren waarvan we geen spierkrampen zullen krijgen en dat we 20 uur kunnen volhouden. We denderen voortvarend door Olsberg en beginnen de lol van deze expeditie in te zien. Over volstrekt verlaten wegen vliegen we het Sauerland uit. De daling is constant voelbaar en dat maakt dat het fietsen weinig inspanning kost. Olsberg ligt reeds op 23 km van de 250 tot Ruhrort volgens het boekje van de Ruhrortradweg. Niet veel later fietsen we al door Bestwig en Meschede, dorpen waar je normaal met je auto in tutgang doorheen rijdt, achter een trekker of vrachtwagen. De weg is leeg. Dit is leuk fietsen.

Zet de koffie maar klaar

4.17 uur. Een markant moment. We passeren voor het eerst de Ruhr, zoals we dat vandaag talloze malen zullen herhalen. Binnen afzienbare tijd komen we langs het punt waar we normaal gesproken rechtsaf slaan, de snelweg op richting Unna en Ruhrgebied. Nu gaan we rechtdoor. Nieuwe wegen en verwachtingen. We volgen de borden met Arnsberg. Vol goede moed denderen we voort.

5.17 – 5.30 uur. Een stop bij een benzinestation in Freienohl. Toiletteren en warme koffie en thee. Hier begint de officiële markering van de route. Freienohl ligt op 58 kilometer, hetgeen betekent dat we een gemiddelde hebben behaald van 29 kilometer per uur, met de ergste klimmen reeds achter ons en nog steeds in het pikkedonker. Dat geeft de burger moed en de eerste grappen vallen: ‘Bel je vrouw maar, dat ze de koffie vast klaar moet zetten’. Het begint nu langzaamaan licht te worden, dus we zetten onze lampjes uit. Naast elkaar klimmen we door een doodstil Freienohl. Een pittig klimmetje na de heerlijke kop warme koffie die op het juiste moment voorhanden was. Het lichaam is snel weer opgewarmd.

Tegelwijsheid

Na het dorp volgt een markante brug links, over de Ruhr richting Rumbeck. Volgens de kaart korter dan de hoofdweg. Een venijnige kuitenbijter volgt, evenals enkele scheldwoorden. Dit is een kreng. De hoofdweg was een beter alternatief geweest. We klimmen door, er komt echter geen einde aan. Zoals Peter echter zo terecht constateert: ‘What goes up, must come down’. Een wijsheid die zo op een tegel kan. Er volgt een juweel van een afdaling, waar ik met gestrekte benen en dito rug mijn topsnelheid van de dag haal, ergens boven de 60 in het uur. Arnsberg blijkt een prachtig en pittoresk stadje met dito winkelstraatjes. We hebben er geen oog voor en zoeven er met een noodgang langs. Na Arnsberg is het even opletten. We willen de rechteroever van de Ruhr volgen, maar de rivier maakt twee kronkels – een S-bocht – dus we moeten de eerste keer de Ruhr oversteken, om dan pas een oever te gaan volgen.

Laagtepunten

Wat volgt, is een lange rechte weg langs gaten als Bruchhausen, Hüsten en Muggenberg. En met een gat als Muggenberg kan het natuurlijk niets worden. Dit zijn de uitlopers van het Sauerland en dit gebied vormt met stip het saaiste deel van de route. Twee laagtepunten. Vlak voor Bruchhausen merkt Peter op: ‘Dit is echt zo’n weg waar je niet mag fietsen’. Nog geen tel later staat een auto echt midden op de weg geparkeerd. Vijfhonderd meter verderop merken we dat de weg doodloopt in een industrieterrein. Als we ergens mogen fietsen, dan is het hier wel. We fietsen 800 meter terug naar de laatste kruising om een parallelweg te nemen (for the record: we hebben 1.600 meter extra gefietst).

Dipje van formaat

Het tweede dieptepunt vormt Club Diana in Hüsten. In het ochtendgloren komt Madame Diana net naar buiten in een blauwe zijden blouse en een lange zwarte rok met immense split. Het is zes uur ’s ochtends, haar werkdag zit erop. Dit beeld past volledig in de deprimerende omgeving waarin we rijden. Lange, rechte, grauwe wegen met aan weerszijden industrie en weidewinkels. Bij de brug van Hüsten volgt een eetpauze.

6 uur in de ochtend, drie uur op de fiets, 85 kilometer in de benen. Nog steeds een gemiddelde van ruim 28 kilometer per uur. Normaal gesproken vormt 85 kilometer een lange fietstocht waar je tegenop ziet. Vandaar is het enkel inrijden en voorspel. We lachen erom.

Niet-naast-de-Ruhr-Gebiet

Bij Muggenberg-Neheim gaan we gelukkig weg van de weg en volgt een single track. Mijn dipje is verdwenen als sneeuw voor de zon. Dit is mijn terrein en meteen versnel ik in de smalle bochtjes. Onverhard, afwisselend, meanderend door bossen. Ongemerkt vreten we weer kilometers. Het mooiste stuk van de dag: een (aangelegd) stuk Wildschutsgebiet met spiegelglad asfalt. Een fietspad dat langs de Ruhr door het dal kringelt langs bossen en bloemen. We hebben een lijstje waar we wild op kunnen afvinken; reigers, mollen, konijnen, hazen, een eekhoorn, een hert, een buizerd, stieren, vogels en een verdwaalde teek, zo bemerk ik een dag later. Waar is dat Ruhrgebiet? Als we vandaag één ding kunnen constateren, dan is het wel dat het Ruhrgebiet niet aan de Ruhr ligt. Alleen het laatste stukje van de Ruhrortweg laat zich kenmerken door bebouwing en drukte, de rest is groen.

100 km voor het ontbijt

In Wickede is het tijd voor een echt ontbijt. Ik vind dat we telkens nét te laat eten met het risico dat een hongerklop zijn vernietigende werk doet. Dit zou – op z’n minst – een aanzienlijke vertraging meebrengen. In het centrum zijn gelukkig de eerste bakkertjes open en we bestellen puddingbroodjes met heisse Choci.

Wickede, 7 uur in de ochtend, vier uur op de fiets, 102,5 km. De dames vragen waar we heen gaan: ‘Holland’. ‘Das ist ja weit!’ We hebben er al ruim 100 kilometer op zitten en de wereld moet nog wakker worden. Zullen we het uitleggen? Het is niet te bevatten. Na deze zoete inval trappen we soepeltjes door Westick, Frondenberg, Ardey, Langschade, Dellwig, Altendorf en Westhofen. Mooi asfalt, weinig woorden en kilometers maken.

Hongerklop op de loer

Een zwaar stukje vormt het fietspad dat omhoog en omlaag kringelt langs de stuwmeren, de Hengsteysee en de Hartkortsee. Ik zit er even doorheen en telkens als ik een Imbiss hoop te treffen, zijn we alweer door een dorp heen en op weg naar het volgende. Het vreet aan me. Dit is niet verstandig. Ook al voelt voortmaken op korte termijn goed, op lange termijn kan het onze ondergang zijn. Ik moet eten. Een fantastisch groen gebied en geen enkele horecagelegenheid op de fietsroute. In Wengern trek ik aan de noodrem. Eten is nu het devies en ik wil even zitten. Peter heeft een strijdersmentaliteit en gaat altijd maar door. De inwendige mens moet echter ook verzorgd worden. Weer is het moeilijk iets te vinden vlakbij de route. Uiteindelijk eten we zoete broodjes bij een bakkerij die barst van de wespen. Het zit niet echt ontspannen en al gauw zijn we weer verdwenen. Wonderlijk hoe fris je weer op de fiets zit als je iets gegeten hebt en tien minuten hebt gezeten.

Wengern, 163,5 kilometer, 10.15 uur, 7,25 uur op de fiets, een gemiddelde van 22,5 kilometer per uur.

Je wereld klein maken

Mentaal hebben we de route opgedeeld in drie stukken: Het Sauerland van Usseln tot Arnsberg, het Ruhrgebiet van Arnsberg tot Ruhrort en het stuk van de Rijn naar Nijmegen. Zoals Peter zegt: ‘Als we de Rijn hebben bereikt, kruip ik desnoods naar huis’. De drie delen hebben we weer opgedeeld in kleinere stukken. Nu is het nog 87,5 km naar Ruhrort. Ons volgende doel is Hattingen. Net daarna maken we een afwijking van de normaalroute naar Kupferdreh. Dat is hemelsbreed korter dan het fietspad dat de rivier blijft volgen, maar uiteraard moeten we dan wel klimmen. Vanaf Kupferdreh is het opeens nog maar 41 kilometer naar Ruhrort en wordt het heel haalbaar. Behapbaar.

Afsnijden geeft lijden

Vanaf de brug bij Hattingen volgt een mooi stuk langs de Ruhr. Er zijn talloze kano’s, fietsers en wandelaars, een idyllisch tafereeltje dat volstrekt tegen onze verwachtingen indruist. Unna, Dortmund, Essen, Duisburg en Muhlheim rijmen niet echt met stil, watertje, groen, strandjes en bootjes. Als we een immense lus hebben gemaakt met de rivier aan onze rechterhand, duiken we het bos in, van de rivier af. We willen hier een doorsteek maken (lees: afsnijden) via Niederwenigern en Kupferdreh en de rivier verderop weer oppakken. Het zal ons enkele kilometers uitsparen. Meteen beginnen we echter te klimmen, van 2% naar 3% naar 4% en door naar 10% om zwetend en puffend, met een kloppende kop vol aderen, scheldend de pedalen rond te peddelen. De kettingsmeer in mijn ketting is inmiddels uitgewerkt en knarsend en knerpend werk ik me naar boven, terwijl Peter me uit het wiel rijdt. Een van mijn lage versnellingen pakt niet meer, waardoor ik voortdurend op veel te hoog verzet naar boven moet. Deze helling is niet alleen slecht voor het moyenne, maar ook voor mijn humeur. Gelukkig volgt een ijzingwekkende afdaling en met duizelingwekkende snelheid zoef ik over kruisingen weer richting rivier. Ditmaal is het Peter die mij moet laten lopen. Zowel hardlopend als op de fiets ben ik daalkoning.

Zwiepende takken en brandnetels

In het dorp Kupferdreh blijkt dat het station op de schop ligt en onze doorgaande route naar de rivier is gestremd. Met de fiets aan de hand werken we ons door de mensenmassa’s rondom de bouwplaats op het station tot we weer een doorgaande weg bereiken. Aan de overzijde van de weg ontwaar ik een minuscuul, overwoekerd geitenpaadje dat door een park verder naar de rivier gaat. Ik aarzel niet, steek over en knal het paadje in. Peter heeft geen tijd om te reageren en volgt als de wiedeweerga. Voor we het weten fietsen we door brandnetels en zwiepen takken ons in het gezicht. Het klimmen begint opnieuw en zelfs zo ver door dat het lijkt of we boven de rivier fietsen en ieder moment over het randje kunnen kiepen. Een steile bocht linksaf en via een even steil geitenpad dalen we met piepende remmen af naar het water. We stuiten op een trapje en na die laatste barrière staan we dan eindelijk weer aan de oever. We zweren niet meer te zullen afsnijden. Geen shortcuts meer voor Fokkie en Peter.

Patat met worst doet fietsen

Met brandende benen en krassen op de armen vervolgen we onze weg over het spiegelgladde asfalt langs de oevers van de Baldeneysee. Nog 46,5 kilometer te gaan naar Ruhrort. We stuiten op een Biker-Platz waar tientallen motorrijders aan hun Bockworsten knagen en bier achterover gieten. Stoer nemen we ertussen plaats in ons wielerkloffie en bestellen patat met worst en cola. Eindelijk een lekkere picknickbank om te ontspannen. Ik bezoek even het toilet maar constateer dat de deur bij de heren niet sluit. Aangezien ik geen behoefte heb aan een grote biker-in-leer op mijn schoot, duik ik bij de invaliden naar binnen. Dit toilet is zo ronduit goor dat ik uitwijk naar de dames. Een en ander duurt zo wat langer en Peter vraagt zich oprecht af of ik niet meer van de pot af kan komen. Het gaat gelukkig en monter en volgegeten vervolgen we onze weg, nagestaard door tientallen bikers.

Tijdrit

Op 220 kilometerkrijgt Peter het op zijn heupen. We gaan nu een geïndustrialiseerde conglomeratie binnen, die we kris-kras-doorkruisen via smalle paden, groen, stoepen, speeltuinen, bochten en loopbruggetjes. Op zich is het leuk, technisch fietsen en bij elke bocht accelereert Peter met mij in zijn wiel. In mijn achterhoofd fluistert wel voortdurend dat zachte stemmetje ‘Is een eindspurt met 30 km/ uur handig als je straks vanaf Ruhrort nog 100 kilometer moet rijden’. Het mag de pret niet drukken en we knallen door stadsparken, woonwijken, industrieterreinen en langs wandelaars.

Foutje, verdwaald

Dan steken we een lange brug over met rechts van ons een voetbalstadion. Het is wel vreemd als we niet veel later hetzelfde stadion passeren aan onze linkerhand. Dan ga je je toch achter de oren krabben. Ergens een bordje gemist. Gelukkig heeft Peter het navigatievermogen van een moeder-op-zoek-naar-haar-nest en hij zigzagt moeiteloos terug naar de route (NB twee kilometer extra!). Er volgt een lange weg met veel razend verkeer en drukke kruisingen waar we telkens moeten wachten. Dan eindelijk na 248,5 kilometer doemt daar de brug op die ons Ruhrort in leidt. Het is een aftands ding in een dito omgeving en het lawaai van trucks en auto’s. Verwachtingsvol rijden we Ruhrort in.

Ruhrort = desillusie

Het oord Ruhrort is een complete desillusie. We verwachtten een pittoresk stukje haven met dito terrasjes; je moet immers vieren dat de Ruhr in de Rijn loopt. De Duitsers denken daar anders over. Na talloze omzwervingen door industrieterreinen en lelijkheid in de laatste kilometers, is dit een verlenging daarvan. En bovendien: er is geen hond op straat. Doodse stilte in een lelijk oord. Wat doe je dan? Doorfietsen. Peter heeft zo te zien zijn pijlen alweer op de Rijn gericht want we steken linea recta door het dorp, naar de Rijn, de brug op.

De grote oversteek

Voor ik het weet fietst Peter al voor me uit de brug op die over de Rijn gaat. Deze man is niet te stuiten vandaag. Zo graag wil hij weg uit Ruhrort, uit het Ruhrgebiet en de rivier over. Niks sightseeing. Ik film hem vanachter terwijl hij een arm in de hoogte steekt en met gebalde vuist een zegevierend gebaar maakt. We hebben de Rijn bereikt, 250 kilometer tegen de wind in op onze gammele fietsjes. Zowel Peter als ikzelf hebben onze afstandrecords gebroken, ik zelfs verviervoudigd. Nog maar 100 kilometer te gaan.

Uitstel is afstel

Ik ben wel een beetje klaar en hoopte gezellig even iets te eten in Ruhrort. Voor de zoveelste keer belanden we echter niet in een gezellige Imbiss met een bankje om even te zitten en uit te puffen. Na de brug houden we halt bij een benzinestation waar nog net een picknicktafel voor de ingang staat. Een chagrijnige bitch helpt ons, maar we storen haar in het poetsen van haar BMW. Ik koop een flinke reep chocolade en twee flesjes cola, één voor mij en één voor in de bidon. Aangezien dit niet het meest inspirerende plekje is, zitten we al heel snel weer op de fiets. Uitstel is afstel. Hoe eerder we weer op de fiets zitten, hoe eerder we onder die warme douche staan.

Dippen in Niemandsland

Dit is mijn eerste echte mentale inzinking. De Rijn was een doel na 250 kilometer dat we bereikt hebben en nu bevinden we ons in grensgebied, in niemandsland. Lange rechte wegen met industrie of weilanden en weinig afleiding. Hoe ver is het nog? Hoeveel uren moet ik mijn kont nog pijnigen? Dit is de finishing straight, maar hij is gewoon nog 80 kilometer en dus zeker vier uur fietsen. In het Sauerland deed ik veel kopwerk, ook omdat ik de weg kende, hier laat ik het graag aan Peter over. Met mijn tong op het stuur en trappend op mijn tandvlees volg ik Peter in zijn wiel.

De tandjes op elkaar

Dit is een rotstuk. We rijden langs een provinciale weg naar Kamp Lintfort. De auto’s razen voorbij en ook al rijden we op een fietspad, de daverende herrie is vermoeiend. Weg zijn de prachtige fietspaden van de Ruhrradweg, nu moeten we zelf onze weg zien te vinden. Heel langzaam rijdt Peter me uit het wiel. Er ontstaat een gaatje van één meter. In mijn hoofd zijn het er wel honderd. Peter lijkt onvermoeid en ratelt maar door op zijn pedalen. Ik verfoei hem. Wanneer wordt dat kreng een keer moe? Hij beukt door Kamp Lintfort heen, met de gedachte dat het daarna rustiger wordt qua verkeer. Ik bijt de tandjes op elkaar. Mijn fiets loopt inmiddels een stuk zwaarder dan 14 uur geleden. Vanochtend deed ik kruipolie op de ketting, maar nu piept hij als een oude diesellocomotief. Ook dit werkt mentaal niet echt mee. We trappen nu puur op de automatische piloot, 250, 260, 270, 280 en maar door. Dit is een ongeïnspireerd en uitgestrekt landschap. De uiterwaarden van de Rijn waar het stevig waait en zoals gedurende de rest van de dag hebben we de wind stevig op de kop.

Motiverende meevaller

Ik ken deze route van onze autoritten en volgens mij stond er bij Kamp Lintfort altijd op de borden: Nijmegen, 110 kilometer. Peter schudt verbijsterd zijn hoofd: ‘nee joh, vanaf hier is het nog maar een kilometer of 65!’ Als peter me zo opbeurt, word ik er niet vrolijker van. Ik ben zelf altijd degene die inspireert, opbeurt en anderen probeert te laten volhouden. Ik weet dat je dan altijd positief bent en blijft en geneigd bent om afstanden naar beneden af te ronden. Ik ken alle trucjes en als Peter ze gebruikt, hoor ik mijzelf praten. Het werkt niet. We stoppen na Kamp Lintfort om het uit te rekenen. Inderdaad komen we op een totaal van 69 kilometer. Dat valt alleszins mee. Het is nog zeker drie uur fietsen, maar een nietig eindje in het licht van het grotere geheel.

De accu’s opladen

In het gat Ostbeck ben ik echt toe aan een rustpauze. Niet snel een hapje eten en weer door, maar gewoon even zitten, hangen en opladen. Het wordt dan ook onze langste pauze tot dan toe. Wederom een benzinestation, waar ik een kwartier lang tegen de muur aan, op de grond zit. Even het hoofd leeg maken, drinken, eten en opladen. Het werkt.

Wringen tot het gaatje, ofwel een jasje uit trekken

Ik pak de kop als we Ostbeck uitrijden en drie kwartier lang sleur ik voorop door saaie oorden en over lange rechte wegen. Peter zit in mijn kielzog en geeft geen kick, maar als ik uiteindelijk rustiger aan doe, hebben we zeker 20 kilometer gereden met een gemiddelde van tegen de 30 in het uur. Peter heeft een verwrongen, wit bekkie. Hij heeft nog maar weinig reserves en is bang dat zijn bloeddruk door deze versnelling te laag is geworden en hij flauw gaat vallen. Het typeert ‘s mans strijdlust. Niet toegeven, doorgaan en (te) laat aan de rem trekken. We rijden daarna een stuk rustiger naar Goch.

De beste tomatensoep van de kosmos

Vanaf Goch is het nog 27 kilometer en dat is opeens heel erg haalbaar. Peter is dan ook blij dat ik dat ene uur gas heb gegeven en we een psychologisch zwaar stuk hebben weggetrapt. Nu is hij het echter, die op zijn laatste beetje energie rondpeddelt. Hij wil nu eindelijk voor het eerst vandaag zijn tomatensoep waar hij al uren van droomt. Hij heeft hem verdiend. We wijken in Goch dan ook voor het eerst van de hoofdroute af en zoeken een etablissement waar we de fietsen buiten, in het zicht, kunnen laten staan. Het is aangenaam warm binnen, voor ons voor het eerst vandaag. Het doet me vrezen voor straks, als we weer naar buiten moeten in de (koude) schemering. De cremige, hartige, romige, volle, welriekende tomatensoep is een unicum. We leggen de dame achter de bar uit dat na 318 kilometerfietsen, dit de lekkerste tomatensoep is die we ooit in ons leven genuttigd hebben.

Elkaar leren lezen

Met de rode soep komt ook de kleur terug in Peters gezicht. Bovendien begint hij weer praatjes te krijgen. Het laatste uur was hij immers muisstil. Dit zijn de symptomen waaraan je elkaars fysieke en mentale toestand kunt aflezen. Gezien het feit dat het onze eerste gezamenlijke ultra-inspanning is, moeten we ‘elkaar nog leren lezen’, zodat we rekening met elkaar kunnen houden en voor elkaar kunnen zorgen. Op tijd, voor de ander aan de rem trekken. De non-verbale signalen van elkaar lezen, zodat je het avontuur samen tot en goed einde kunt brengen. Na zijn soepje ziet Peter het weer helemaal zitten. Deze man rijdt écht op tomatensoep en bolletjes met kaas. Verbijsterend.

Gepijnigd zitvlees, ofwel een derrière van gemartelde rosbeef

Als we Goch uit zijn, volgen de eerste borden met Nijmegen erop; 25 kilometer. Het motiveert enorm. Nog zes kilometer en dan gaan we het Reichswald in en als we in Kranenburg zijn, is het nog slechts twaalf kilometer. Het klinkt allemaal veelbelovend, maar we fietsen een stuk langzamer nu en om de paar meter moet mijn gepijnigde zitvlak even  verlossing door te staan op de pedalen. Dit is de homestretch. We ontspannen maar hebben ook daadwerkelijk pijn. Mijn kont kan het beste vergeleken worden met gemartelde rosbeef waar een boer met zijn riek in heeft zitten klieven. Telkens wanneer ik ga zitten, zijn de eerste seconden een absolute hel. Alsof ik in een speldenkussen ga zitten, ondanks mijn twee fietsbroeken met excellente zeem. We proberen de humor erin te houden door de meest misselijkmakende grappen over mijn derrière te maken. Het helpt (niet).

Absurd Esheriaans landschap

De zeven kilometer door het Reichswald zijn vals. Ze lopen alle zeven licht omhoog, terwijl Kranenburg aan de andere kant van het woud toch echt laag, tegen de Waal aan, ligt. Vloekend trappen we tergend langzaam omhoog. Zo nu en dan lopen we stukken, even een andere beweging en de kont laten ontspannen. Het is doodstil in het woud, maar we hebben weinig oog voor de natuur. Nog 15 kilometer. Dit stuk doet me denken aan een Run Bike Run waar ik drie rondjes van zeven kilometer moest fietsen. Van elk rondje ging 6,9 kilometerom hoog en 100 meter omlaag. Het leek of ik in een absurdistisch landschap van Esher verzeild was geraakt. Ondanks eeuwig klimmen, raakte je toch weer op je beginpunt. Absurd. Onze onderneming is absurd. Peter is absurd.

Fietsen met je ogen dicht

Eindelijk, vlak voor Kranenburg gaat het omlaag. Met mijn kont in de lucht laat ik me uitrollen: 333 kilometer, nog 12 te gaan. We ontsteken onze lampjes, want dit is een provinciale weg waar ze flink doorrijden. Via een rondweg rijden we om Kranenburg en dan volgt de lange N50 die over de grens naar Nijmegen leidt. Mijn zadelpijn is inmiddels ondraaglijk en telkens wanneer ik neerzijg, ontsnappen enkele krachttermen, terwijl ik de tanden op elkaar pers en de ogen stijf dicht knijp. Niet te lang, want ik ben nog wel zo scherp dat ik weet dat fietsen in het donker met de ogen dicht niet bevorderlijk is voor de gezondheid.

De vervloekte Ooijpolder

We fietsen op een vrij brede provinciale weg die ons rond Kranenburg leidt. Aan weerszijden een brede strook waarvan niet duidelijk is of het nu een fietspad betreft. Eigenlijk fietsen we langs een snelweg en we hopen niet vlak voor de grens aangehouden te worden. Eindelijk na 338 kilometer passeren we de grens met Nederland, een euforisch moment. We peddelen al 19 uur om hier te komen. Ik zie echter op tegen de laatste kilometers want die gaan door de befaamde Ooijpolder, die door Nijmegenaars wordt bezongen. Ik ben als Leidenaar waarschijnlijk verwend met de polderlandschappen aldaar (Hazerswoude, Roelofarendsveen, Zoeterwoude), maar als er één ding te zeggen is over deze polder, dan is het wel dat er geen reet aan is. Ik snap daadwerkelijk niet wat een weldenkend mensch hier moet. Het is hier plat, saai, altijd is iets verder dan je denkt en je hebt per definitie wind tegen. Ik fiets zelfs nu liever tegen een (beschutte) berg op.

Over hobbels en barrières

Na Kranenburg komen we op een echt fietspad en het barst hier van de hobbels door boomwortels die het asfalt omhoog hebben gedrukt. In Duitsland fietsten we letterlijk honderden kilometers over spiegelgladde paden en nét dit laatste stuk, als elk hobbeltje als een gruwelijke, pijnlijke hindernis voelt, neemt de kwaliteit van de paden af. We zegenen Deutsche Grundlichkeit en ik vervloek kermend de Nederlandse fietspadenaanleggers.

Brullen om je moeder

Ook vandaag weer doemen in de verte de lichtjes van Nijmegen op, maar duurt het oneindig lang voor ze tastbaar worden. Hoezee voor de Ooijpolder. We zitten nu beide achterstevoren op ons ros om ons moeder te roepen. De oplettende lezer heeft inmiddels gemerkt dat het moeite kost om nog positieve kanten van de expeditie te belichten, maar dat hoort erbij.

Vlak rijden

Dan eindelijk sturen we onder de Waalbrug door. Ik heb de route zo uitgepeild dat we zo vlak mogelijk, zelfs met zo min mogelijk verkeersdrempels, Nijmegen binnenrijden. Met de gepijnigde billen in de hoogte, zoeven we de helling af, de Waalkade op. Home Sweet Home! We grommen nog wel even bij de laatste klinkers aan het einde van de Waalkade die voor de nodige trillingen en pijnscheuten zorgen. Ik geef gas en ben niet eens meer in staat te reageren op opmerkingen van Peter. Het hoofdje is er niet meer bij. Grommend trap ik onder het spoor door, door het rode licht, over de laatste grote kruising. Ik neem de autoweg en niet het hobbelige fietspad, de Voorstadslaan op. Nu moet het over zijn.

De pijn voorbij

Met het laatste beetje doorzettingsvermogen de stoep op, om mijn appartementencomplex heen en naar de voordeur. Niks fietsen wegzetten in de parkeergarage, maar mee omhoog, de lift in en zo het appartement in. Als ik de bel heb ingedrukt, omhelzen we elkaar. Ons kroegverhaal is afgerond en met grimassen strompelen we de lift in. Niet meer fietsen. Geen wind meer, geen regen, geen oerenthard zadel in de pijnlijke lendenen. Geen doel meer. Heerlijk.

De schade opnemen

We nestelen ons met gloeiende koppen in de zachte bank en laten ons alles aandragen. Pasta, een koud biertje en de kachel op standje hoog. We stinken als bunzingen na 19 uur en 43 minuten fysieke arbeid in weer en wind. Het verbaast me dat die iele Peter overeind is gebleven en niet bij de enkeltjes afbrak. Dat moet een mentale aangelegenheid zijn. Een smeltkroes van doorzettingsvermogen, volharding, werklust en pure wilskracht. Als ik mijn lichaam onder de warme stralen sleep, zie ik dat mijn rechtervoet wordt opgesierd door een knalrode ontsteking in de achillespees, een gloeiende knobbel. Waarschijnlijk is dit het gevolg van een pedaal die een millimeter uit het lood staat waardoor de enkel 19 uur en 43 minuten scheef belast is. Tussen mijn benen liters lymfevocht; bijzonder hoe het lichaam eigenhandig, natuurlijk smeermiddel aanmaakt om de bewegende delen te beschermen tegen schuurplekken. Mijn kont voelt als crêpepapier dat geschuurd wordt. De warme stralen voelen niet eens als een verademing.

Contemplatie

In mijn warme joggingbroek nestel ik me op de bank. Beide hebben we knalrode, verweerde koppen. We hebben enkele jasjes uitgetrokken, maar man-o-man wat was het weer een mooi avontuur.

Of zoals Kim Stanley Robinson zo treffend zei: The distinguishing mark of true adventures, is that it is often no fun at all while they are actually happening.

Achteraf zie je er gelukkig de lol des te meer van in.

What’s next? Parijs, Londen, Berlijn?

Dat is het met expedities: ze verruimen de blik. Europa lijkt ineens een stuk kleiner en je kunt verder komen dan je ooit gedacht had als je maar – om in termen van Jim Burland aan het begin van dit verslag te blijven – vanaf je woonplaats een eind de wijde wereld intrapt.

Reactie deel I van Peter: Geweldig verhaal. Verheug me al op de Imbiss kwestie en het saaie Rijnfront in Duisburg, de pijn aan je kont. En het gehate Sonsbeck, en natuurlijk het paradijs Nijmegen…

Specs

Wie: Jan Fokke en Peter

Wat: 345 km mountainbiken non stop

Waar: Bron Ruhr in Sauerland naar Nijmegen

Waarom: leuk! Ik rijd het al 20 jaar met de auto, kan het ook in één keer op de fiets?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CONTACT | COFFEE

Aarzel niet en zoek even contact!