30/07/2005 Jan Fokke Oosterhof

Swiss Alpine Marathon 78,5 km

Op 30 juli 2005 nam ik samen met drie andere leden van Leiden Atetiek deel aan de Swiss Alpine Marathon, een hardloopwedstrijd over 78,5 km in de Zwitserse Alpen, en ook wel Lauf der Verruckten of Crazy Peak Experience genoemd.

Davos, 30 juli 2005, 5.00 uur – De start van de wedstrijd verloopt verbazingwekkend rustig. We staan lekker vooraan en staan zenuwachtig te trappelen. Opvallend is dat niemand duwt of trekt. We hebben tijd genoeg om de verschillen te maken, moet de alomtegenwoordige gedachte zijn. De entourage doet kwijlen; een olympisch stadion, continu het geraas van twee helikopters boven je hoofd en opzwepende heroïsche muziek op de achtergrond zoals de Carmina Burana. Een waar amfitheater.

 

Één schot, we mogen los, toegejuicht door al onze trouwe supporters. Hier hebben we vanaf 1 januari naartoe getraind. Nerveus zoeken we een tempo, een plekje, een groepje. Ieder voor zich, of toch samen? Waarom hebben we het daar nooit echt over gehad? Andere prioriteiten dienen zich aan: zoals ik me altijd aanwend, moet ik direct na de start plassen. Ik zoek haastig een plantsoentje met kleurrijke viooltjes uit voor een dure Zwitserse villa en leef me uit. Voor iemand er iets van kan zeggen, ren ik alweer tussen Paul en Stefan in, waarop Setfan nerveus hetzelfde trucje flikt. Paul heeft reeds bij de start een flesje sportdrank van inhoud voorzien (professioneel), hem blijft dit ritueel dan ook bespaard.

Marcel blijft wat achter en doet het in zijn eigen tempo. Ik lig op kop, nu al! We draven door het centrum van Davos, onder het luide geraas van de helikopters. Bij een bocht zie ik Joost en de crew. Mijn vingertje gaat direct omhoog, ‘ik lig eerste!’, reclameer ik enthousiast. Nog 77,5 kilometer te gaan.

Stefan haalt me weldra in. Hij heeft moeite om (zo) langzaam te lopen en binnen de kortste keren speert hij er als een jecko vandoor. Hij heeft niet speciaal getraind voor dit duurloopje en zal dit vast moeten bezuren. Zonder aarzeling laat ik hem dan ook excelleren in dit stadium. Paul sluit weldra bij me aan en we zouden nog zeker 38 kilometer met elkaar oprennen, Paul met hartslag 145, ik met 170. Daar gaat meteen les 1, behoudender dan beheerst lopen op deze lange afstanden. De eerste 40 kilometer loopt mijn hartslag vrijwel constant tussen de 160 en 170. Dit terwijl we deze week nog een Duitser voor gek uitmaakten omdat hij op het vlakke gewend was met dit soort hartslagen te lopen en dat hier ook wilde gaan doen. Het is niet voor niets ‘der Lauf der Verrückten’ zullen we maar denken. Paul maant me gas terug te nemen, maar ik ben natuurlijk niet op m’n achterhoofd gevallen! Ik laat Paul iets lopen in de klim en sjees hem dan als de brandweer achterna in de afdaling, ondertussen nauwlettend mijn hartslag monitorend in verband met eventuele inconsistenties. De sportarts heeft immers een lekkende hartklep geconstateerd.

Als één geoliede machine draven we samen op, continu in de veronderstelling Stefan te zullen opslokken. Zo nu en dan moet ik Paul laten gaan in de klim, maar dat compenseer ik dan weer met mijn NOFEARalleshardkillerafdalingsinstinct (dat later in de wedstrijd zou resulteren in een verzwikte enkel). Elke daling grijp ik aan om te accelereren en het hele veld naar het gif te lopen (een ultravariant op naar het zuur lopen). Na een lange afdaling – wanneer ik weer eens voor Paul lig – stuit ik op Joost en de crew. Opgewekt accepteer ik een flesje sportdrank, eet een squeezy en maak een praatje tot Paul weer aansluit. ‘Jij daalt echt als een gestoorde!’ is het enige dat hij kan uitbrengen. ‘Klopt!’, grijns ik. Even een speldeprikje uitgedeeld om Paul bang te maken voor de laatste 18 kilometers van de wedstrijd, die uit huiveringwekkende afdalingen bestaan.

We draven verder over een grindpad dat ons door een aantal schaars verlichte tunnels leidt, culminerend in het zeer hoge viaduct dat je op alle plaatjes van de wedstrijd terugziet. Het pad dat aan de zijkant van het viaduct is gespijkerd, doet niet bijzonder solide aan en golft onder het geweld van alle dravende renpaardjes. Naar verluidt is dit dan ook niet het favoriete deel van het parcours onder de atleten met een lichte aversie tegen hoogten (waaronder Kees Haasnoot). Een enkeling klimt op het viaduct zelf en loopt over de treinrails, waarbij niet vermeld hoeft te worden dat dit weer andere uitdagingen met zich meebrengt (ik zie licht aan het eind van de tunnel! i.e. een aanstormende trein…).

IJdel als ik ben, ben ik blij dat ik Paul bij me heb. Hij maant me op het viaduct een gaatje te laten vallen voor de fotograaf. Ik aarzel geen seconde en laat direct een imposant gat vallen – een fotograaf moet je ten slotte alle ruimte geven – doe mijn tenue recht, veeg het snot van mijn kin en span mijn getrainde borstspieren aan. Inderdaad flitst aan het eind van het viaduct een camera (thanx Paul), maar het kost me zeker twee kilometer om het gat naar Paul weer dicht te lopen.

Nabij Filisur dalen we af en arriveer ik – nèt voor Paul uiteraard – op een grasveldje in het bos, waar een enthousiaste Marco staat. Zo enthousiast dat hij me wel het flesje sportdrank geeft zoals beloofd, maar dat hij is vergeten het ultra-irritante folietje onder de dop te verwijderen. De foto’s die hij schiet, maken dit ongetwijfeld ruimschoots goed!

De uiteindelijke afdaling voor Filisur is pijnlijk. Het 32-kilometerpunt nadert en dan zal de pijn waarschijnlijk gaan beginnen, net als bij de marathon. Daar gaat echter meteen les 2 de mist in: omdat je bij het ultralopen een rustiger tempo aanhoudt, verzuren de benen minder snel, waardoor de pijn later intreedt. Gelukkig heb je wel méér tijd om er van te genieten. Met zware benen trutten we door Filisur naar de drankpost waar we een enthousiaste supporter tegen het lijf lopen in de persoon van Kees Haasnoot, die ook zo van start zal gaan op de K28. Ook Marije en Sietske staan er en Joost en Linda hebben de ATB erbij gepakt. De laatsten hebben alle files en dranghekken genegeerd en omzeild om ook hier op tijd aanwezig te zijn en ons aan te moedigen.

Joost en Linda fietsen met camera’s met ons mee. Het stuk van Filisur naar Bergün is kritiek, hier zal de moordende klim van 1.000 naar 2.660 meter aanvangen. Met name het laatste stukje vanuit de vallei weer naar de weg is heel steil. Ik wandel met Paul omhoog over de steile paden, daarmee meteen les 3 van Paul aan onze laars lappend. Les 3 die luidt: altijd blijven gaan, geef je nooit over aan de verleiding te gaan wandelen, want je komt niet meer op gang. De verleiding is te groot. Het adagio van Epicurus daarentegen luidt: laten we ons haasten om aan de verleiding toe te geven, voordat ze er vandoor gaat. Een moeilijke keuze: Kamphuis of Epicurus? We gaan – zoals altijd – voor de gouden middenweg: snelwandelen.

Éénmaal op de weg (38 km) volgt de reünie. Stefan is bijgehaald omdat hij het steile stuk heeft ‘gerend’ en Marcel is vanuit het achterveld sterk komen opzetten. Het geheel geflaneerd door Joost, Linda en Marco op de ATB. Paul en Stefan wandelen over de weg richting Bergün, maar Marcel en ik zetten het op een lopen – of beter rennen – daarmee het adagio van Kamphuis aanhangend en niet toegevend aan de verleiding van Epicurus.

Tergend langzaam vorderen we over het steile stukje weg dat door de smalle kloof leidt. Ik word aan alle kanten gepasseerd door bejaarden en kleine meisjes met vlechtjes. Een voorname les: ultralopen zet de loopwereld op z’n kop. Je vraagt je af of ultra staat voor ‘extra lang’ of voor ‘vreemd en anders’ in het verlengde van de naam van de wedstrijd; de Crazy Peak Experience. Wat opvalt is dat iedereen die aan de start staat kan hardlopen. We voelen ons jonge adonissen, loopprofessionals van het hoogste kaliber, maar hier betekent het allemaal niets. Dik, dun, lang, kort, lelijk, mank, scheef, krom, oud, of met de uitstraling van Pipi Langkous (hier Pinkeln Langstrumpf), iedereen loopt ons naar het gif. Zelfs mensen die je het liefst nog niet met de hond 100 meter ziet wandelen, vanwege de pijn aan je ogen. Mensen met antiperistaltische looptechnieken, mensen die met hun lichaam op alle mogelijke manieren proberen het asfalt te beschadigen overwinnen deze monsterafstand en laten ons beduusd en nederig achter.

Ik probeer in de pas te blijven met een bevlechte Pipi Langkous, maar ze accelereert en laat me staan als een amateurtje. In Bergün loop ik met Marcel de groep atleten van Leiden Atletiek tegen het lijf die traint (vakantie viert) in St Moritz. Clanleider Erik van Leeuwen schiet een foto van ons, die nog diezelfde dag prijkt op www.leidenatletiek.nl met de volgende begeleidende tekst: ‘Zaterdag zijn we de Swiss Alpine helden wezen aanmoedigen in Bergün, een dorp na ongeveer 40 km op de route, met een gezellige sfeer. Veel publiek en een Zwitserse Teun de Reede om de boel aan elkaar te lullen. De dorpsstraat ging over in een steile klim op klinkerstenen, maar dat was nog niets vergeleken bij de beklimmingen verderop. Kort na elkaar kwamen onze helden voorbij. Jan-Fokke en Marcel samen. Jan-Fokke keek wat strak (wazig?) voor zich uit, Marcel deelde high-fives uit. Kort daarna Paul Kamphuis, wandelend en drinkend, begeleid door Marco Kortleever op de fiets. Stefan Hulisz kreeg bij de brandweer een korte massage maar vervolgde zijn weg. Pieter van der Luijt was over het parcours een stuk bergop gewandeld en kon zo later onze helden nog een beetje geestelijk bijstaan’.

Na het passeren van Erik komen we in een smalle schacht terecht, geflankeerd door linten en pionnen. Rechts naast ons komen de zojuist gestarte lopers van de K42 erbij. Leuk!, daar zitten we echt op te wachten. We zitten op het marathonpunt, beginnen aan de ergste klim van ons leven, op het heetste stuk van het parcours en we worden gepasseerd door een leger enthousiaste randdebielen dat diezelfde klim fris en vol gas begint. Om kort te gaan: we worden volledig naar het gif gelopen.

De hele horde buigt van Bergün af naar het lieftallige – maar vooral hooggelegen – bergdorpje Chants. Asfalt wordt grind en later een gemarkeerd geitenpaadje vol stenen. Plots zie ik een rots die een vlaag van herkenning bij me oproept. Verrek, heb ik hier vanochtend niet, tijdens een verkenningsronde met Paul, een heerlijk bidonnetje koele sportdrank gedeponeerd? Yep! Jaloers kijken de amateurs van de K42, hoe ik de sprankelende verkoelende sportdrank uit het – uiteraard in de schaduw gelegen – gras tover (professional). Met een wijds, doch nonchalant gebaar, breng ik de bidon naar mijn mond en laat de verkoelende drank zijn werking doen. Sportief als ik ben, laat ik daarna de bidon de ronde doen onder de andere lopers (ik loop over van dat vieze zoete bocht, maar dat terzijde).

Ik nuttig de zoveelste squeezy terwijl Marcel uit het zicht verdwijnt. Hij heeft er stevig de pas inzitten. Ik merk dat ik moet opletten op dit hete stuk niet mentaal te knakken. Het is niet alleen heet, het stijgt, het is een monotoon stuk en ik loop al ruim 4 uur. Het ergste moet nog komen. De steilste stukken wandel ik. Dit is het moment van uittreding en ik herinner me de woorden van de grootste ultraloper allertijden Yiannis Kouros: op een bepaald moment ga je fysiek dood en treed je uit je lichaam.

Op de automatische piloot draaf ik door. Lopen, draven, rennen, snelwandelen, blijven gaan, elke stap verder is er eentje hoger. Mijn wedstrijdfilosofie is simpel. De wedstrijd bestaat uit drie fasen: 31,8 kilometer dalen, 20 kilometer klimmen en 27 kilometer dalen. De eerste fase ging hard (mijn specialiteit), de tweede fase moet ik zien te overleven en in de derde fase moet als een volstrekte malloot afdalen en alle achterstand op de anderen inlopen.

Bij een haarspeldbocht zie ik beneden me Paul weer opdoemen. In Bergün zat hij niet lekker  en zat hij 2 minuten achter me, maar hij heeft zijn benen hervonden. Ik accelereer, maar Paul blijft (wijselijk) zijn eigen tempo lopen. Ik passeer een tent waarin twee mensen aan het infuus liggen in verband met uitdrogingsverschijnselen. Ze zien er verschrikkelijk slecht uit. Vlak voor Chants word ik weer ingehaald door een Pipi Langkous-element, maar het deert niet want ik kom Leidenatletieker Pieter van der Luut met de gipspoot tegen, die me opbeurt. Hij is tijdens het fietsen in een van de eerste afdalingen over zijn stuur gevlogen toen hij (te) hard remde voor een auto. Het moet een fraaie buikschuiver zijn geweest, want hij heeft last van zowel zijn enkel als zijn pols. De laatste blijkt prachtig afgegipst te zijn.

Pieter wandelt een stukje met me op en vertelt me dat Marcel ongeveer 7 minuten voor me zit met pijnlijke benen. YES! ;-] Meteen ‘sprint’ ik weg (om terug te vallen in snel wandelen) terwijl ik reclameer dat ik hem in de klim de finale mentale knak zal toebrengen. Ik ken deze klim naar de Keschhütte immers omdat ik hem daags tevoor met Paul heb verkend. 600 meter klimmen over een ultrasteil (it’s all in a word) pad vol stenen. Dit is andere koek, dit vraagt om bergwandelervaring. Geholpen door mijn jarenlange hikingexperience raas ik Marcel – zittend op een steen – al op de helft van de klim voorbij. ‘Fu…!’, zegt ie, ‘naar het gif tijdens het wandelen nota bene, ik ren niet eens!’. Een veelzeggende oneliner die de prestaties van de winnende Rus, Grigory Murzin, van vandaag in een ander daglicht zet. De beste man is hier rennend omhoog gekomen en heeft dan ook niet voor niets het parcoursrecord met een tijd van 5.42.34.

Ik blijf in mijn ritme en laat Marcel achter. Bij de Keschhütte besluit ik goed te smikkelen omdat een hongerklop op de loer ligt. Ik neem een heerlijke zouttablet, een magnesiumtablet, een squeezy, twee heerlijke bekertjes bouillon, twee bekertjes water en twee bananen om dit godenmaal af te toppen. Terwijl ik daar in de koude wind zit, rent Paul me voorbij zonder te stoppen vanwege de koude. Direct zet ik de achtervolging in, maar hij loopt van me weg ondanks het afdalen.

Op een splitsing gaat de K42 rechts naar beneden, terwijl wij op hoogtelijn blijven lopen. Alle amateurtjes zijn van de baan en er is weer heerlijk rust in de tent. Nu kunnen we weer hard afdalen. Dit deel van het parcours heet de panoramatrail, maar erg veel oog voor het panorama heb ik niet meer. Ik passeer een eettent (4 stokken en een zeiltje), waar ik daas op een steen ga zitten om te eten en te drinken. Ongeveer 55 kilometer achter de rug en de moed zakt me in de schoenen. Een dame montert me op met de geruststelling dat alleen de elite der ultralopers hier nog passeert. IJdel als ik ben, vervolg ik fier mijn pad. Daling rennend, stijging wandelend, eindeloos door tot ik in de verte op 2.660 meter de Scalettapas ontwaar. Dit geeft me weer moed. Hier staan Niels (vriend van mij die gisteren met de trein arriveerde), Vincent en Erik met eten en drinken.

Plots doemt links van het pad een fluorescerende gedaante op. Het is ‘het fenomeen Vincent’ dat me lachend ontvangt. Hij zal zo een stukje meerennen met Marcel (hetgeen hem verschrikkelijk! zou tegenvallen 😉 Eenmaal op de pas zie ik links van me Erik een foto maken, terwijl ik recht in de handen van de dokter loop. Ik verman me, borst naar voren, een ferme handdruk, ik vijns pretoogjes en zeg op mijn beste Switserduits ‘Gruss Gott!’. Dokter Beat Villiger staat hier ieder jaar en kijkt alle deelnemers diep in de ogen en vraagt daarbij traditioneel ‘Wie häsch es?’(vrij vertaald: leef je nog?). Beat glimlacht en vanachter de donkere glazen van zijn bril congratuliert hij me. In zijn ogen – die ik niet kan ontwaren – heb ik het dus al gehaald! Ik zelf ben daarvan nog niet geheel overtuigd. Veel tijd om met Erik en Niels te praten maak ik niet, want Paul blijkt slechts 7 minuten voor me te zitten.

Als een dolle begin ik met afdalen. Niels roept nog dat hij me op de ATB wel zal inhalen, maar ik wuif dat het tevergeefs zal zijn. Ik ga deze 18 kilometer net zo snel afdalen als Zorba de Rus die reeds 1 uur binnen is. De een na de ander vlieg ik in rap tempo voorbij. Tientallen atleten stuiven opzij bij het horen van een naderende gek die zo hard over de keien klettert. Zeker 150 atleten ben ik gepasseerd, wanneer er eentje niet opzij gaat en mijn enkel kraakt, als ik een zijsprong maak tussen de scherpe rotsen. Ik roep een zeer vies woord dat ik hier niet kan herhalen (niet naar de atleet die ik inhaal, maar de lucht in. Hem treft geen blaam.). Ik strompel verder met een pijnlijke enkel, terwijl ik nog geen zweem van Paul kan ontwaren. Mijn speldenprikje van vanmorgen heeft hem doen afdalen als een dolle stier. Daar gaat mijn overwinning…

Ik wandel een paar honderd meter en hervat mijn pogingen tot ‘hard’lopen. Nog 14 kilometer te gaan. Effe snel rekenen resulteert in de constatering dat ik nog zeker 1,5 uur te trutten heb! Ai caramba… Er knapt mentaal iets en ik vind het op z’n zachtst gezegd even allemaal niet meer zo leuk. 14 kilometer is op zich niet zo ver, maar na 64,5 kilometer? Ik moet stoppen met denken. Ik zoek een oude dame uit en probeer in haar voetsporen te volgen. Ik moet lossen.  De volgende. Weer lossen, net zolang tot ik iemand vind die hetzelfde beentempo handhaaft als ik. Ze is een jaar of 70, 1.35 meter lang en heeft een paslengte van 17,6 centimeter.  Volledig in trance strompel ik achter haar aan naar de volgende eettent.

Ik neem 2 bekertjes cola en besluit dat ik een magnesiumtablet moet slikken tegen eventuele opkomende krampen. Ik kan echter niet de bekertjes op de grond zetten, want dan werk ik kramp juist in de hand. Ik vraag een toeschouwer mijn bekertjes vast te houden terwijl ik de magnesiumtablet uit mijn natte short pulk. Op mijn vraag hoever het nog ongeveer is antwoordt hij 11 kilometer. Alsof iemand met een moker op mijn muil slaat. Absoluut het dieptepunt van de wedstrijd. 11.000 meter, waarvan vast geen enkele horizontaal. Dat is met mijn paslengte nog 62.500 passen (dat kon ik op dat moment niet exact berekenen, maar ik had wel een vermoeden). Slik.

Na mijn inzinking op 11 kilometer volgt wonderbaarlijk snel het bord met 5 kilometer. Als in trance overbrug ik de tussenliggende 6 kilometer. ‘Blijven gaan’, ruist het in mijn hoofd. De woorden van drill instructor Paul Kamphuis. Ik hervat mijn dribbelingen, mijn enkel ontziend, uitkijkend voor zich aandienende krampaanvallen, een uiterst fijnzinnige en futiele onderneming. Gelukkig – corrigeer: helaas – kan het nog erger. Ik ontmoet – of beter: struikel – bijna over een Australische dame.Ze duikelt voorover op haar handen en knieën en ligt beduusd op de grond als ik kom aanrennen. Wanneer ik haar wil oprapen, zie ik tot mijn schrik dat ze vanaf haar knieën naar beneden volledig onder het bloed zit. Lachend zegt ze me dat ze ‘very tired’ is, terwijl ik haar overeind help. ‘I wish it was all over, I’m never doing this again!’, lacht ze. Ze blijkt door haar vermoeidheid al 4 keer over de kop te zijn geslagen. Ook haar handen blijken helemaal kapot te zijn. Aangeslagen doe ik een arm om haar heen. Hier worden daadwerkelijk grenzen verlegd, dringt het tot me door. Met een brok in mijn keel help ik haar weer op weg en maan haar alsjeblieft voorzichtig te doen. Ook als ze vanaf nu wandelt, is ze binnen anderhalf uur binnen. Later hoorde ik van Paul dat er iemand met z’n ‘kokosnoot’ tegen een boom is geknald en helemaal open ligt. Dit is duidelijk niet het reguliere prestatieloopje van het locale buurthuis. Hier wordt gemeten met andere maten. ‘Normaal’ is hier ‘ultra’.

Het doet me goed rechts in het dal Vincent, Niels en Erik schreeuwend voorbij te zien stuiven op de ATB. Ze staan een stukje verder op het 2,5 kilometerpunt en schreeuwen me enthousiast toe. Ik draai de laatste keer het bos in met drie kerels. We moeten alle lachen om een man die zo gruwelijk moeilijk voor ons uitloopt. We constateren gezamenlijk dat het ons ‘weh an die Augen tut’. Gedeelde smart is halve smart. Ik haal ze allemaal in tijdens de afdaling naar Davos en stuit op Joost die een foto schiet als ik de weg opdraai. Hij vraagt me of de anderen vlak achter me zitten – naar later blijkt, belt hij naar de supporters in het stadion om te melden dat we eraan komen – maar ik kan slechts wezenloos naar achteren wuiven. Ik heb geen idee, geen energie. Ik dender verder, niet meer verslappen, voet voor voet, zoals we van Kamphuis geleerd hebben.

Ik loop het centrum van Davos in waar rijen mensen ons staan toe te juichen. Dan plots is daar al de atletiekbaan. Zouden ze de laatste kilometermarkeringen wat dichter bij elkaar geplaatst hebben? Door een haag van gillende mensen loop ik de atletiekbaan op. Rechts hoor ik iemand mijn naam scanderen. In tegenstelling tot de Leiden Marathon zullen hier niet veel Jannen lopen, dus ik besteed er dit keer wel aandacht aan. Het is wederom Linda, samen met Marco. Ik til even mijn arm op, maar maai door, eerst over die verrekte finish. Voor de finish en de daarbij behorende verlossende chipleespoortjes hoor ik Erik gillen dat ik moet lachen voor de foto. Ik vertrek mijn gezicht tot een boerengrijns en stort me door de poortjes.

Ik mag stoppen. Eindtijd: 9:26:32,2.

Meteen verlies ik met het loopritme mijn evenwicht en zwalk in de armen van iemand die me een medaille omhangt. 10 meter verder aansluiten in de rij voor een T-shirt (duly noted! Ik heb 78 km en 510 meter gelopen!). Alles op de automatische piloot, geen ontlading, geen overdadig euforisch gevoel, niks eigenlijk. Erik omarmt me en feliciteert me. Het doet me allemaal niet veel. Ik kan nog behoorlijk lopen maar ben helemaal leeg en afgestompt. Van Niels krijg ik een trui en een broek tegen de wind en de motregen. Ik loop door naar Linda, Marco, Marije en Sietske en geef ze een handje om ze te bedanken voor de support. Alles op de automatische piloot, te moe en te leeg om blij te zijn, een deceptie. Gelukkig is iedereen om me heen enthousiast. Een fotootje met de medaille tussen m’n tanden.

Marcel komt 15 minuten na me grijnzend binnen. Ook hij is verdacht stil. Ik weet niet hoe hij het heeft ervaren. De finish van de held van de dag – ongetrainde Stefan Hulisz – die 10 minuten daarna binnenkomt, mis ik omdat ik met Marcel bij de garderobe onze warme kleding ophaal. Bij de biertent (alcoholvrij) komen we allemaal bij elkaar (waar anders?). Paul is blij, hij is 1.25 uur sneller dan vorig jaar. Voorzichtig laat ik me op de grond vallen. Elke beweging waarbij bepaalde spiergroepen worden aangesproken, zou nu tot kramp kunnen leiden, iets waar ik tot nog toe door de magnesiumtabletten van Erik van gespaard ben gebleven. Zodra ik vertel van mijn verzwikte enkel, tovert Erik direct zijn koffertje tevoorschijn en smeert een wondermiddel op het kloppende ei, waarna hij alles vakkundig intapet. Door de endorfinen die mijn lichaam heeft aangemaakt, heb ik de laatste 14 kilometer niet al te veel gevoeld van dit euvel, maar nu dringt een fijnzinnige (beter fijnzerige) pijn zich via mijn rechterknie omhoog, om me langzaam, maar geheel te vervullen van zeurende pijnscheuten. Bier zou nu de remedie zijn.

Joost en Marco arriveren met Bratwursten en brood. Dat hebben we nodig. Nu alleen dat verrekte bier nog, zodat we in een verhouding van 3 staat tot 8 eiwitten en koolhydraten tot ons kunnen nemen in verband met ons herstel (zie voor een wetenschappelijke verhandeling hierover de column ‘Tapering off; een vrijbrief tot bier en hamburgers’ of de website van (sport)fysiotherapeut Erik van Putten, www.sportfysioleiden.nl). Tot onze spijt is er nergens in het hele stadion bier te verkrijgen, alcoholvrij bier is immers geen bier. Ongelooflijk, een sportevenement met 5.600 atleten en nergens echte koolhydraten te verkrijgen. Professioneel pilsen kunnen ze hier niet (zie voor een niet-wetenschappelijke verhandeling hierover de column Professioneel Pilsen in Lisse).

Paul feliciteert me terwijl ik op de grond lig met mijn Bratwurst en signeert direct mijn T-shirt, hetgeen hij als enige weigerde te doen voordat ik gefinished was. Trots ben ik dat nu op mijn linkerborst prijkt ‘De Swiss Alpine Marathon, starten is leuk, finishen is boven jezelf uitstijgen’.

Swiss Alpine Marathon, Davos (Z) (30 jul)

Ergebnisliste K28

Rang                           Kateg.             Name                          Endzeit

90.     33.         M40                Haasnoot, Kees (65)              2:57:32,7

Ergebnisliste K78

Rang    Kateg.            Name                                                  Filisur         Bergün          Dürrbo.         Endzeit

241.    116.    M40     Kamphuis, Paul (56)               2:45:16,2       3:42:40,6       7:46:03,3       9:05:09,9

350.    118.    M30     Oosterhof, Jan Fokke (75)                  2:45:15,7       3:40:56,1       7:56:27,2       9:26:32,2

419.    17.     M20       Wierenga, Marcel (78)            2:47:48,6       3:40:52,3       8:11:23,0       9:41:41,1

455.    141.    M30     Hulisz, Stefan (70)                 2:39:39,6       3:47:31,1       8:22:09,4       9:49:09,0

Menu van een ultraloper

(ongeveer, op basis van nacalculatie)

  • 1 week pasta, pasta, pasta, tot het je oren uitkomt
  • Elk uur 1 Squeezie (13 stuks)
  • 3 flessen sportdrank
  • 29 bekertjes water (elke kraam 2, ook bij geen dorst)
  • 8 bekertjes bouillon
  • 4 bekertjes cola
  • 4 bekertjes ice tea
  • 2 zouttabletten
  • 5 magnesiumtabletten
  • 4 powerbars
  • 6 bananen (15 stukken banaan eigenlijk)

 

Tenue van een ultraloper

(exact, op basis van nacalculatie)

  • Pet van de Hardloopwinkel
  • Ondershirt van CRAFT tegen schurende tepels
  • X-socks
  • Schoenen van ASICS
  • Tight van ASICS
  • Short van ASICS
  • Shirt van ASICS
  • Bandana tegen het verbranden van de nek
  • Hartslagmeter

 

Wordt vervolgd…

Comment (1)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CONTACT | COFFEE

Aarzel niet en zoek even contact!