Jan Fokke Oosterhof | Column: de grofvuilstortplaats nader beschouwd
426
post-template-default,single,single-post,postid-426,single-format-standard,ajax_updown_fade,page_not_loaded,qode-page-loading-effect-enabled,,qode_grid_1200,footer_responsive_adv,hide_top_bar_on_mobile_header,qode-content-sidebar-responsive,qode-theme-ver-17.2,qode-theme-bridge,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-5.6,vc_responsive
 

Column: de grofvuilstortplaats nader beschouwd

Column: de grofvuilstortplaats nader beschouwd

De grofvuilstortplaats. Je kunt er je vuil storten en het is een werkgever. Iedere keer dat ik op mijn fietsje aankom om iets te storten, kom ik in aanraking met de mensen die er werken. Ze wuiven mij vriendelijk gedag. Ze herkennen me want ik krijg het voor elkaar om complete kasten en houtvrachten aan te voeren op mijn stalen ros, waar ze in Vietnam en China nog van onder de indruk zouden zijn. Probleemloos mag ik doorrijden om mijn chemisch en zelfs nucleair afval te deponeren. Ik kom op de fiets, ik kom (dus waarschijnlijk) uit de buurt, en dan is het in orde. De beste man weet gelukkig niet dat ik heel ver kan fietsen. Als ik met de auto kom, gaat het anders.

Gewichtig staat er een kerel over een container geleund (lees: bureau) en met ongeïnteresseerde blik staart hij over zijn werkterrein. In ieder geval kijkt hij in eerste instantie niet naar mij, hetgeen misschien ten grondslag ligt aan de enorme rij met automobielen die in mijn achteruitkijkspiegel opdoemt. Dan plots een nors gebaar dat we mogen ‘oprijden’ tot zijn bureau waarna hij ‘identiteitsbewijs!’ roept. Ik krijg hier een zogeheten unheimisch gevoel bij.

Gewichtig bladert hij door mijn document, onderwijl zo nu en dan nors de auto scannend met zijn ogen. Ik vraag mij af: krijg je als medewerker bij de afvalstortplaats een cursus in het onderscheiden van echte identiteitsbewijzen? Zenuwachtig laat ik het over me heen komen. ‘Wat hebbie’, brult hij nors. ‘Ehh, een paar stukkies laminaat en een plant…’ ‘Hmpf, weet je hoe het werkt?’ ‘Ehh ja (ik kom hier altijd op de fiets, herken je me niet meer?)’ Hij gooit mijn paspoort naar binnen en wuift me weg. Ik mag zijn voeten kussen en zijn domein betreden.

Gezien het warme welkom is de missie helder: zo snel mogelijk al je teringzooi in de dichtstbijzijnde container dumpen en wegwezen. Zo simpel is het echter niet want elke stap die je in ‘de zone’ doet, wordt gemonitord door jongens met bezems die hun containers bewaken en je met korte kreten corrigeren. Ik weet niet in hoeverre de bezem wordt ingezet als je niet luistert. ‘Dat is puin, rechts!’, ‘Hout, links’, ‘Scheiden’. Na elke korte kreet krimp ik ineen en kijk schuldbewust de kant uit waar het geluid vandaan kwam. Gedwee volg ik mijn orders op.

Plots zie ik een plankje dat ik wel heel erg goed kan gebruiken thuis. Ik vis het op en net als ik het wil wegstoppen in de auto komt de kerel van de (vriendelijke) receptie op me toegelopen. ‘Wat moet dat met dat plankje?’ Schuldbewust kijk ik naar mijn eindje hout; tsja, wat zou ik daarmee moeten…? ‘Dat mag ja absoluut niet meenemen!’, schreeuwt hij dreigend. ‘Mensen brengen hun afval hier in goed vertrouwen naartoe en dan moeten wij de regels van de privacy hanteren!’, snauwt hij. ‘We hebben hier bijvoorbeeld ook pc’s en daar kunnen allemaal vertrouwelijke gegevens opstaan!’ (De uitroeptekens gebruik ik nooit in mijn teksten, een teken van zwakte. Als je iets niet met woorden kunt uitdrukken, gaan mensen vaak veel tekens inzetten om te verlevendigen. Hetzelfde geldt voor hoofdletters. In casu word ik echter gewoon afgesnauwd en dat gaat nu eenmaal met hoofdletters gepaard.)

Ik krab eens achter mijn oren en staar beurtelings naar de kerel en naar mijn stukje hout. Het is een latje, maar ergens zegt mijn intuïtie me, dat ik hierover geen discussie moet aangaan met Brian (sommige mensen krijgen van hun ouders een naam toebedeeld die iets zegt over de aspiraties en het streefniveau van de ouders, in casu een verlenging van de grijskleurige massa in je schedel, het brein. Nodeloos te vermelden dat de ouders teleurgesteld zijn en hun dromen niet zijn uitgekomen). Ik heb te maken met iemand die een ‘uniformpje’ draagt en zich daarnaar is gaan gedragen. Het uniform weerspiegelt de status en geeft daarmee de bewaker macht. De Amerikaanse psycholoog Zimbardo deed daar interessante bevindingen over tijdens het Stanford Prison Experiment.

Met een allervriendelijkste glimlach donder ik mijn latje terug in de container – bijna de verkeerde met puinafval – en ik maak me uit de voeten. Net op het moment dat ik het terrein afrijd, zie ik hoe mijn Brain op de terugweg naar zijn bureau iets uit de ‘gemengde container’ vist om aan zijn persoonlijke collectie prullaria toe te voegen. Even overweeg ik er iets van te zeggen, maar ik besef me dat je soms beter je mond kunt houden.

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=1GpuB_Q2RUw]

Geen reactie's

Geef een reactie