Jan Fokke Oosterhof | De Rotterdam Marathon; ofwel de marathon is niet voor iedereen weggelegd
668
post-template-default,single,single-post,postid-668,single-format-standard,ajax_updown_fade,page_not_loaded,qode-page-loading-effect-enabled,,qode_grid_1200,footer_responsive_adv,hide_top_bar_on_mobile_header,qode-content-sidebar-responsive,qode-theme-ver-17.2,qode-theme-bridge,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-5.6,vc_responsive
 

De Rotterdam Marathon; ofwel de marathon is niet voor iedereen weggelegd

De Rotterdam Marathon; ofwel de marathon is niet voor iedereen weggelegd

Als je achtereenvolgens Athene, Berlijn, Praag, 2x Leiden en twee verdwaalde marathons met Richard Bottram hebt gelopen (plan: 365 marathons in een jaar om fondsen in te zamelen ter bestrijding van kanker), dan is daarna natuurlijk Rotterdam een keer aan de beurt.

Trouw werk ik wekenlang mijn kilometers af. Met 20 kerels ga ik in mei een week fietsen en alle belangrijke Alpencols ronden. Ze beginnen zo nu en dan te morren: ‘Wanneer ga je nu eens met ons mee trainen?’ Hopman Gerrit dreigt al: ‘je traint niet, straks fiets je als een zak patat en zit je achterstevoren op je fiets om je moeder te roepen…’ Maar lopen is ook trainen. Toch?

Mijn langere duuropen bestaan bijvoorbeeld uit de Road to Rotterdam-loop, de wekelijkse trainingen bij Nijmegen Atletiek onder de bezielende leiding van trainer Frank en de Achtkastelenloop in Vorden. Het blijft overigens vreemd dat je deze laatste loop kunt volbrengen zonder een kasteel te zien, maar dat terzijde. De omgeving is prachtig, de loop eveneens.

19 maart – Ik sta op een feestje van mijn zwager. Vriend M. belt. Ik neem niet op, ik ben ten slotte op een feestje. Er volgt een smsje: Jan, bel even terug, het is belangrijk. Ik begeef me richting balkon en doe braaf hetgeen van me gevraagd wordt. ‘Hi Jan, er is iets vreselijks gebeurd, mijn broer heeft een hartaanval gekregen tijdens het fietsen en hij is dood’. Ik snak naar adem en het balkon zakt weg onder mijn voeten. M. doet het verhaal uit de doeken. Ze hebben vandaag de Joop Zoetemelk-classic gefietst en op de terugweg naar huis werd hij onwel en was het over.

Oorspronkelijk zou ik meefietsen vandaag, als training voor dat weekje Alpencols, maar ik was vandaag op pad met een groep mensen met MS die ik train voor de Vierdaagse van Apeldoorn. Opeens ben ik blij dat ik er niet bij was. M. is verdacht rustig, maar die wordt natuurlijk helemaal geleefd: reanimeren, ziekenhuis, ambulance, ouders bellen en praten met hulpverleners. Hij zit nu, ’s avonds laat in het ziekenhuis en loopt nog steeds in zijn zweettenue rond. Ik kende zijn broer niet eens zo heel erg goed. We gingen wel eens een weekendje fietsen of langlaufen. Toch snijdt het bericht door mijn hart. Een jonge kerel, 38 jaar, nooit ergens last van gehad, supersportief en opeens is hij weg.

Vooral nu ik met vrouwlief zoveel kilometers maak voor de Rotterdam Marathon komt een en ander wel heel dichtbij. Ook hij sportte heel veel. Hij fietste dagelijks zijn kilometers voor dag en dauw, alleen of in een groep en schuwde het kopwerk niet. Zoals zijn broer later opmerkt tijdens de begrafenis: ‘Tijdens de Joop Zoetemelk-classic sleurde hij kilometerslang aan kop en dan moest iedereen eraf. Dan zaten ze allemaal te schreeuwen om hun moeder. Dat vonden we leuk.’

Na tien minuten op het balkon heb ik mijzelf herpakt en begeef me weer in het feestgedruis. Vrouwlief stelt me heel enthousiast voor aan een leuk stel. Ik tover een grijs op mijn gezicht waar een boer met chronische wortelkanaalontsteking jaloers op zou zijn. Ik fluister vervolgens het nieuws in haar oor. Ze trekt me meteen mee naar de slaapkamer en daar staan we dan, beide met de tranen in de ogen. Ook zij is helemaal uit het veld geslagen, al heeft ze hem slechts één keer gezien.

Om een lang verhaal kort te maken: ik laat mijn kilometers de laatste weken voor Rotterdam een beetje lopen, om niet te zeggen: ik breng soms dagen apathisch op de bank door. Ik ben al een held in het relativeren, maar met deze gebeurtenis in het achterhoofd is trainen en presteren wel heel futiel vanuit een breder, kosmisch perspectief. Ik besluit toch te starten en te genieten, dan zien we wel hoe ver we komen. Het is in ieder geval een prima duurloop voor de Veluwezoomtrail van 50 kilometer in juni.

Met de trein reizen we af naar Rotterdam en stuiten direct op vriendin Barbara, die naar Rotterdam reist om een en ander te fotograferen voor Atletiek Nieuws. Ze is er vroeg bij om een foto te kunnen maken, van een volstrekt lege Coolsingel. Bij de inschrijving word ik er aan herinnerd waarom ik eigenlijk niet meer aan dit soort grote evenementen wens deel te nemen. Er staat op dit vroege tijdstip reeds een rij voor de startnummeruitgifte die ook nog eens onhandig gepositioneerd is. We bevinden ons in een klein zaaltje achterin het World Trade Center. Van de rij voor de startnummers duik je rechtstreeks de rij voor de T-shirtuitgifte in. De laatste rij veroorzaakt dat de eerste rij nog eens langer is dan nodig. Vervelend als je bedenkt dat je zometeen nog een marathon moet lopen. De organisatie zou het startnummer natuurlijk ook gewoon op kunnen sturen, maar commerciële belangen verijdelen dat. Het gevolg is dat je je eerst een weg moet banen langs een markt met standjes, waarna je ergens achterin een zaaltje, na enig zoeken, de startnummeruitgifte treft. Het kan erger: in Berlijn is de Messe aan de andere kant van de stad en moet je een extra dag uittrekken om je nummer te bemachtigen.

Berlijn, de marathon waar ik anderhalf uur voor de start naar het toilet moest, maar mijn toiletpapier vergeten was. Met 48.000 hardlopers en supporters was er echter in de hele wijk geen stukje toiletpapier of toilet meer te bemachtigen. Jan en alleman zat letterlijk het volledige park rondom de startzone onder te schijten. Een erbarmelijke bedoeling en je schaamt je even dat je een hardloper bent. Ook de Dam-tot-Dam-loop laat bij mij geen warme gevoelens na, nadat ik een dame sprak die net 26.000 tasjes had ingenomen. Met diezelfde 26.000 man moest ik vervolgens na afloop van de wedstrijd in enkele touringcars naar het station. Dit heeft niets meer van doen met fijn een stukje rennen.

Rotterdam is niet anders. Je maakt van tevoren thuis al een logistieke planning, dagen voordat je vertrekt. Hoe vol zijn de treinen? He druk is het Openbaar Vervoer? Waar laat ik mijn bagage? Hoe kom ik in mijn startzone? Kan ik het huis van vrienden bereiken en hoe? De vrienden wonen vlakbij station Blaak en de ingang van mijn startvak ligt aan de zijde van Rotterdam Centraal Station, lees: ik zal een omtrekkende beweging moeten maken om überhaupt mijn vak in te kunnen. Die beweging duurt nog langer dan gepland. Nu moet ik nog plassen (marathonlopers drinken veel voor de start), maar er zijn te weinig plaspalen. Te pas en te onpas wordt het Hofplein beplast.

Dan aftellen. Ik sta in startvak D met lopers die tussen de 3 uur en 3.30 uur kunnen finishen. Vrouwlief staat in vak E, 3.30 uur en 4 uur. Normaal gesproken starten eerst de geïnviteerde elitelopers, dan de wedstrijdatleten en dan de vakken achter elkaar. Zo niet in Rotterdam. De vakken D en E starten tegelijkertijd, naast elkaar, ieder op een eigen rijbaan. Na enkele kilometers schuift alles in elkaar, hetgeen hopeloze snelheidverschillen en dito gedrang oplevert. Als je geen snelheid kunt maken, dan maar links of rechts over het gras of de stoep, is het devies. Zo word ik dan ook letterlijk meermaals van de sokken gelopen als mensen ‘door me heen willen lopen’, waarna ik iemand, vriendelijk via de schouders weer terugbegeleid in zijn of haar lijn, onderwijl netjes roepend ‘Neeeee, zo werkt dat niet’. Als je ook maar een beetje wedstrijdervaring hebt, dan weet je dat je ‘lijn moet houden’. Als je in een wieler- of schaatspeloton geen lijn houdt, word je eruit geschopt. Zo niet hier. Als ik enkele dolende zielen heb terechtgewezen nadat ze tegen me zijn opgebeukt, keren ze zich collectief tegen me: ‘Je moet je niet zo druk maken!’ Mij bekruipt het gevoel dat ik misschien ook maar lukraak zigzaggend hen voor de voeten moet gaan lopen, maar mijn ervaring zegt me ook: als je42 kilometermoet rennen, waarom zou je dan in ’s hemelsnaam die eerste kilometers gaan sprinten als je toch al op positie 5.337 ligt? Kansloos. Dan moet je een betere startpositie bemachtigen.

Zo modderen we aan, nu weer joggend, dan weer wandelend, dan weer afgesneden. Na acht kilometer volgt een lus en loop je weer terug langs de tegemoetkomende lopers. Pardoes is daar mijn vrouw uit startvak E, lees: startvakken maken in Rotterdam niet het verschil. Ik zie nog een bekende loper. Ik word voortdurend aangemoedigd: ‘Kom op Jan!’ Nu heb ik in Rotterdam gestudeerd, maar het blijkt toch om een andere Jan te gaan. Dat heb je als je Jan heet. Deze Jan heeft een perfect tempo en exact mijn paslengte. Samen rennen we kop-over-kop, kilometer-na-kilometer. Dit is genieten.

Als hij moet toiletteren, houd ik even in, waarna ik kopwerk verricht tot hij zijn ritme heeft hervonden. Beide dragen we sponzen op de rug, aan de binnenzijde van ons shirt, om koel te blijven. We wisselen zowel sponzen als drank uit. Na tien kilometer wordt het rustiger en kunnen we meer en meer onze eigen wedstrijd gaan lopen. Voortdurend halen we mensen in; de zielen die haast hadden bij de start moeten het nu bekopen. Het is warm dus ik probeer niet alleen voldoende te drinken, maar ook zuinig te lopen. Zuinige passen, spaarzame armbewegingen, blijven ontspannen en het hoofd leeg. Je wereld klein maken en houden, van drinkpost naar drinkpost.

Na 25 kilometer passeren we voor de tweede maal de Erasmusbrug. Ik merk dat mijn loopmaat het moeilijk heeft en ik probeer hem over de brug te hazen. Ik maan hem aan te pikken, maar hij moet steeds een gaatje laten vallen. Hitte en brug hebben hem klein gekregen. Opeens op Beursplein een hand op mijn schouder: ‘Jan, ik moet uistappen…’ Shit, dat hadden we niet afgesproken – we hadden eigenlijk niets afgesproken, maar vonden elkaar in de wedstrijd – en nu sta ik er alleen voor. Een mentaal dipje, een wegtrekker. Veel mensen stappen uit op dit punt omdat we de finishzone passeren voor een laatste lus van15 kilometeren het is bloedheet. Het asfalt dampt en beneemt je de adem.

Als ik de tunnel inloop richting station Blaak voel ik het melkzuur exploderen in mijn bovenbenen. De resultante van te weinig kilometers maken. Ik worstel me door de tunnel richting Blaak waar achtereenvolgens schoonmoeder en vrienden staan te juichen. Bij beide neem ik iet te drinken aan, waarna ik doorren richting het Kralingse Bos. We komen nu in de fase dat mensen wandelen aangenamer vinden. De man met de hamer waart door het peloton en deelt tikken uit. Het aardige is dat het dan doodstil wordt in de gelederen. Een teken aan de wand. Het is een combi van angst, pijn, afzien en berusting. Ook ik kreun als ik de eerste krampaanvallen te verduren krijg. Van een ingetogen hardlooppas, strek je opeens je lichaam, gooit het hoofd in de nek en staart daarna met een van pijn vetrokken gezicht schuldig naar de grond. Jij weet, je hebt te weinig getraind. Na het vierde krampje komt vrouwlief langszij. Ook zij trekt geen volle zalen meer, maar ze heeft haar strakke trainingsregime doorgezet en zal finishen vandaag.

Ik zet niet door. Na precies 30 kilometerhoud ik het voor gezien. Een prachtige duurloop, maar nu is de koek op. Naast me wandelt een kerel met precies dezelfde symptomen. Gelaten lopen we lachend terug langs het parcours. Pijn verbroedert. Dan opeens links van me vriendin Inge, die vandaag debuteert. Ik schreeuw de longen uit mijn lijf. Ik hoorde later dat ze dacht dat ik zo snel had gelopen dat ik na mijn finish zelfs al hier naartoe verplaatst was. Ook dacht ze dat ik haar vriend was die immers op het 30-km punt zou staan. Ook zij is dus ver heen.

Ik neem afscheid van mijn krampkompaan en sluit me aan bij mijn vrienden op Blaak, waar ik word verwelkomd met een ijskoude Cola. Vol enthousiasme klappen we voor het kilometerslange lint dat hier op het40 kmpunt passeert. Nog twee bochten scheiden hen van de finishing straight. Zeker drie uren sta ik hier en wat ik zie onthutst me.

Ik mag dan te weinig kilometers hebben gemaakt, maar ik maak op waardige wijze mijn30 kilometersvol en trek dan (wijselijk) mijn conclusies. Wat ik hier zie is ronduit mensonwaardig en het doet me concluderen dat een groot deel van de mensen niet in staat is op waardige wijze een marathon te volbrengen op deze eerste warme dag van het jaar. Bloedende tepels en dus rode strepen in shirts, apathie, lethargie, grimassen, groene bekkies, zwalkende en strompelende mensen die heel ver heen zijn. Het sluitstuk is een kerel die zijn veter strikt waarbij het bloed werkelijk tussen zijn benen uitgutst. Als hij voldoende kilometers heeft gemaakt dan behoort hij te weten of de binnenkanten van zijn dijbenen of zelfs zijn edele hardloopdelen gaan schuren. Dan trek je een tight aan in plaats van een short.

Het eenvoudigst te herkennen zijn de mensen die te weinig hebben gedronken: groengele bekkies en holle oogkassen. Als je dan roept dat ze meer moeten drinken, blijken ze naar eigen zeggen ruim voldoende te hebben gedronken, wel een hele bidon. Enkele weken later moet ik tijdens de slotetappe van de Batavierenrace voor de zoveelste maal in mijn loopleven opdraven om 15 minuten lang EHBO te verlenen bij zo’n zelfde geval.

Het is verbijsterend dat iedereen zo nodig – koste wat het kost – een marathon moet lopen. Deze mensen moeten blijkbaar tegen zichzelf beschermd worden, zoals dat enkele jaren geleden in Rotterdam al gebeurde in verband met de hitte. De marathon is een must, een hype en een rage geworden. Als je geen marathon hebt gelopen, hoor je er blijkbaar niet bij.

Voor het eerst in 22 jaar hardlopen, wil ik hier niet meer bijhoren. Niet voor niets neig ik steeds meer richting Safari-joggen, trailrunnen en ultralopen. Met een slechte groep hardlopen in de natuur. Mensen die zich realiseren dat ze verantwoordelijk zijn voor hun welbevinden, voor, tijdens en na een wedstrijd. Mensen die hun grenzen verleggen, maar hun lichaam kennen. Mensen die rekening houden met voldoende vochtinname, uitrusting, het terrein, de weeromstandigheden, mentale en fysieke aspecten. Belangrijkste: mensen die hun lijn houden! Mijn besluit is genomen: na 700 wedstrijden loop ik geen grote wedstrijden meer.

Geluk zit immers in het genieten van kleine dingen.

1 Reactie

Geef een reactie