Jan Fokke Oosterhof | @Oude en Nieuwe Economie; over Kantoorzombies met broodtrommels
860
post-template-default,single,single-post,postid-860,single-format-standard,ajax_updown_fade,page_not_loaded,qode-page-loading-effect-enabled,,qode_grid_1200,footer_responsive_adv,hide_top_bar_on_mobile_header,qode-content-sidebar-responsive,qode-theme-ver-17.2,qode-theme-bridge,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-5.6,vc_responsive
 

@Oude en Nieuwe Economie; over Kantoorzombies met broodtrommels

@Oude en Nieuwe Economie; over Kantoorzombies met broodtrommels

Sinds mijn 18e levensjaar ben ik ondernemer. Ik had een adviesbureau naast de studie en deed met vrienden opdrachten naast de studie voor diverse organisaties, variërend van bedrijfsplannen tot marktonderzoeken en beleidsstudies. Na de studie volgde een wereldreis van zeven maanden. Daarna moest het serieuzere leven maar eens gaan beginnen en het liefst een serieuze betrekking in loondienst. Dat is immers goed. Goed voor ouders, schoonouders, vriendin, de vaste lasten, de studieschuld en de toekomst. Voor alles en iedereen eigenlijk. Of het ook goed is voor jou, is niet altijd even relevant.

Ik solliciteerde me dan ook tien keer in de rondte.
KPMG zocht een adviseur voor strategische planning en consulting, wat me wel lekker breed in de oortjes klonk. Eenmaal daar, was een gesprek van vijf minuten voldoende om uit te wijzen dat men op zoek was naar een ‘gewone’ accountant met een passie voor cijfertjes. Zeg dat dan! Het werd een kort gesprek(je).

Van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) kreeg ik al vrij snel een net briefje terug: ‘Wij hebben ruim 450 reacties op onze vacature mogen ontvangen. Wij zoeken het schaap met vijf poten. Dat ben jij niet’. Dan niet. Bij de Marine wilden ze me graag hebben voor de reorganisatie van allerlei ingewikkelde ICT-processen en systemen, maar werd ik uiteindelijk toch tweede van de 150.

Bij het magazine OPPAD sloeg ik de plank finaal mis. In mijn mooie Hugo Bos-pak zat ik aan tafel bij een ongeschoren, verlept ogende hoofdredacteur in bergsportkleding. Wat moet je dan? OPPAD is een onderdeel van het gerenommeerde instituut getiteld ANWB, dus neem je het zekere voor het onzekere. Daarna kon ik enkel nog downscalen, stropdas af, mouwen opstropen, jasje uit, knopen open en niet perse in die volgorde. Beter overdressed dan underdressed. Het ging ‘m niet worden, dat wisten mijn gesprekspartner en ik vanaf het moment van binnenkomst. 

Toen solliciteerde ik bij een congresbureau dat congressen organiseerde in voornamelijk de gezondheidszorg. Projectmatig werken aan de mooiste gracht van Nederland – Het Rapenburg – in een statig grachtenpand op loopafstand van mijn huis. Tot mijn eigen verbijstering werd ik aangenomen. In retrospectief waarschijnlijk omdat de mannelijke directeur een sparring partner zocht tussen al het vrouwelijk geweld, congresmanagers en –assistentes.

Ik had wel een blunder gemaakt tijdens het sollicitatiegesprek. ‘Hoe belangrijk is geld voor je?’, had de directeur gevraagd. Naar waarheid antwoordde ik: ‘Totaal niet, geld interesseert me niets en het is wel de laatste factor die me intrinsiek zou motiveren’. Als idealist geloof ik in waardebepaling en beloning achteraf. Salaris is slechts het resultaat van mooie, wezenlijke dingen doen en vooral géén op zichzelf staand doel. Dat heet jezelf in de vingers snijden, met een slachtmes. Het salarisvoorstel sloot volledig aan op de signalen die ik had afgegeven.

Projectmatig werken op een inspirerende locatie in het centrum van Leiden op loopafstand van mijn huis, dat moest toch lukken? Het lukte niet. Na jaren van opgesloten zitten te midden van slecht functionerend onderwijs dat is afgestemd op het langzaamste kind in de klas, kon ik niet meer stilzitten. Ik kreeg al snel last van een urgent case-je claustrofobie. ’s Avonds ging ik als gebroken man huiswaarts om de hele avond ellendig op de bank te liggen, waarna het ritueel zich de volgende dag herhaalde en dat vijf dagen in de week. ’s Ochtends had ik een peloton ME-ers nodig om me uit bed te schoppen en naar kantoor te meppen. Vrijdag en zaterdag waren pure euforie en zondag was de Hel omdat ik wist dat ik de volgende dag weer aan de bak moest.

Op kantoor is koffie het enige dat me de eerste uren doorhelpt. Liters sterke filterkoffie als genietmoment te midden van deze grijze kantoorarena met slaafse kantoorklerken. De geur van het kantoor doet me nu nog stuiptrekken. Acht uur per dag aan hetzelfde bureau met uitzicht op een muur en een gezamenlijke lunch te midden van diezelfde bureaus. Elke dag hetzelfde werk: inlezen, sprekers regelen, foldertje maken, mailen en de dag voorzitten.

Afspraken met sprekers buiten de deur werden niet gewaardeerd. Al snel doorbrak ik die barrière en ik was de enige congresmanager die zo nu en dan het kantoor mocht uitvluchten omdat ik ‘belangrijke’ afspraken met sprekers had geënsceneerd. Uiteindelijk was ik ook de eerste congresmanager die terugging naar 36 uur. De euforie om op vrijdagmiddag naar huis te mogen terwijl collegae moeten achterblijven, is onbeschrijflijk. Toen was echter het hek van de dam en al snel ging ik terug naar nul uren. Eigenlijk was dat het gevolg van mijn eigen succes.

Vanaf het begin houden mijn collegae congresmanagers en ik een speciale spreadsheet bij waarin we onze aanmeldingen registreren en dus onze opbrengsten en winsten. Een gezonde onderlinge competitie. Mijn eerste congres is meteen een hit met 204 deelnemers en twee aansluitende praktijkdagen die goed bezocht worden. Ik draai een omzet van ongeveer € 67.000. Gezien mijn oorspronkelijke insteek van achteraf belonen, vind ik een kleine loonsverhoging dan ook niet onredelijk. Als een salarisverhoging van € 50 eerst een half jaar wordt uitgesteld en dan onbespreekbaar blijkt, rest mij slechts één alternatief: zelf een congresbureau beginnen. En zo geschiedde. Samen met vriend Peter start ik 3HOUSE Congressen & Evenementen.

Besluit
Rust, orde, regelmaat, structuur, saai, grijs; het zijn alle woorden waar mijn haren recht overeind van gaan staan. Zoals ik in de Metro werd geciteerd: ‘Wanneer je mij in een Vinex-buurt zet met een paar koters, kun je net zo goed een gun in mijn handen drukken om er een eind aan te maken’. Voor de goede orde: ik heb geen enkel bezwaar tegen mensen die zo zijn en leven. Ieder zijn ding, als je maar gelukkig bent. Het is in ieder geval niet mijn ding.

Ik heb het nooit begrepen. Die vaders die ‘s morgens met een broodtrommeltje onder de snelbinders van huis gaan en die hun bammetjes elke dag, al wandelend met dezelfde collega’s in hun pauze nuttigen onder het genot van een gezonde dosis kantoorhumor. De broodtrommel staat voor mij symbool voor de slaafse kantoorzombie die het leven uitzit. Symbool voor de oude economie.

Doe mij maar een frisse zalmsalade met een mooi glas Pinot Blanc in een pittoresk grandcafé. Dat is de nieuwe economie. Mijn economie. Tevens een metafoor voor mijn leven.

Geen reactie's

Geef een reactie